Façade van een centraal bankgebouw met klassieke pilaren Façade van een centraal bankgebouw met klassieke pilaren

Hoe voeren centrale banken een valutaoorlog en wat deden de VS, China en Japan er historisch aan

De Bank of Japan verhoogt haar opkoopprogramma. Binnen een uur daalt de yen met één procent. Exporteurs in Seoul en Frankfurt fronsen hun wenkbrauwen, en in Washington wordt een verklaring opgesteld. Niemand heeft formeel een oorlog verklaard, maar iedereen begrijpt wat er net gebeurd is.

Een valutaoorlog begint zelden met een officiële aankondiging. Het begint met een beslissing die er onschuldig uitziet: een renteverlaging, een opkoopprogramma, een subtiele aanpassing van de wisselkoersdoelstelling. Maar achter die besluiten zit soms een heel gerichte bedoeling: de eigen munt goedkoper maken zodat exporteurs kunnen concurreren. Dat is het verschil tussen een valutaoorlog en gewoon monetair beleid. Niet de maatregel zelf, maar het doel.

Drie knoppen, één doel

Centrale banken hebben drie hoofdinstrumenten om de waarde van hun munt te beïnvloeden. Ze werken alle drie, maar op een andere manier en met andere bijwerkingen.

De eerste knop is de beleidsrente. Verlaag je de rente, dan worden beleggingen in die munt minder aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Kapitaal stroomt weg, de vraag naar de munt daalt en de wisselkoers verzwakt. Simpel mechanisme, directe werking.

De tweede knop is kwantitatieve versoepeling, ook wel QE genoemd. De centrale bank koopt grootschalig staatsobligaties of andere activa op, pompt geld in het systeem en drukt zo de langetermijnrente. Meer geld in omloop betekent ook meer aanbod van de munt, wat de waarde ervan doet dalen.

De derde knop is de meest directe: wisselmarktinterventie. De centrale bank koopt of verkoopt haar eigen munt actief op de valutamarkt. Wil je de munt verzwakken, dan verkoop je die munt en koop je buitenlandse valuta aan, waardoor de reserves van harde valuta groeien. Japan heeft dit tientallen jaren gedaan. China deed het omgekeerde toen de yuan dreigde te verzwakken: dan koop je juist de eigen munt op om de koers te stabiliseren.

Het transmissiemechanisme: goedkoop exporteren, maar niet gratis

Een zwakkere munt maakt exportproducten goedkoper voor buitenlandse kopers. Een Japanse auto die in yen geprijsd staat, kost een Amerikaanse importeur minder dollars als de yen daalt. Dat is de logica achter muntverzwakking als economisch instrument.

Maar er zijn keerzijden die landen bewust moeten accepteren. Importgoederen worden duurder, wat leidt tot hogere prijzen voor energie, grondstoffen en consumentengoederen. Dat is importinflatie. Bovendien kan een agressieve devaluatie het vertrouwen van buitenlandse investeerders schaden. Zij vrezen dat de munt verder daalt en trekken kapitaal terug, waarna de munt verder zakt dan gewenst. Een zichzelf versterkend proces dat uit de hand kan lopen.

Landen die toch bewust voor muntverzwakking kiezen, doen dat doorgaans als de exportafhankelijkheid hoog is en de economie stokt. Ze wegen de pijn van importinflatie af tegen de winst van een exportboost. Dat is een politieke keuze die zich verstopt achter technisch monetair beleid.

Historisch ankerpunt 1: Plaza Akkoord, 1985

De meest expliciete valutaafspraak in de moderne geschiedenis vond plaats in het Plaza Hotel in New York. De G5 (de VS, Japan, West-Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) kwamen overeen om de dollar gecoördineerd te verzwakken. De dollar was in de jaren tachtig extreem sterk geworden door het strakke beleid van de Fed onder Volcker, waardoor Amerikaanse exporteurs het zwaar hadden. In twee jaar tijd zakte de dollar met bijna 40 procent tegenover de yen en de D-mark.

Het werkte, maar het model werkt vandaag niet meer. In een multipolaire wereld met China als tweede economische macht, met digitale kapitaalmarkten die in milliseconden reageren en met dieper wordende geopolitieke tegenstellingen, is zo’n gecoördineerde afdaling van een munt politiek ondenkbaar. De bereidheid om samen de pijn te dragen ontbreekt.

Historisch ankerpunt 2: Abenomics en de Bank of Japan, 2013

Toen Shinzo Abe eind 2012 premier werd van Japan, beloofde hij de Japanse economie uit twee decennia stagnatie te trekken. Een van zijn instrumenten: de Bank of Japan aansturen om agressief te versoepelen. Gouverneur Haruhiko Kuroda kondigde in 2013 een ongezien opkoopprogramma aan, tweemaal zo groot als wat de Fed proportioneel deed. De yen daalde fors.

Japan noemde het officieel geen valutaoorlog, maar het resultaat was er wel één. Zuid-Korea, wiens export direct concurreerde met Japan, klaagde luid. De G20 veroordeelde competitive devaluation in abstracte verklaringen, maar kon Japan weinig opleggen zolang het land beweerde het om binnenlandse inflatiedoelen te gaan. En daar lag precies het probleem: er is nauwelijks verschil zichtbaar tussen een centrale bank die haar inflatiedoel najaagt en een centrale bank die haar munt bewust ondergraaft. Die ambiguïteit is voor valutaoorlogen wat sluipen is voor een jager.

Historisch ankerpunt 3: de yuan-devaluatie van augustus 2015

In drie handelsdagen in augustus 2015 deed de People’s Bank of China (PBoC) iets wat markten wereldwijd deed schudden: ze liet de yuan met bijna 3 procent zakken. Officieel was de reden een hervorming van het wisselkoersmechanisme, waarbij de dagelijkse koers meer marktgestuurd zou worden. In de praktijk betekende het een plotse devaluatie.

De interpretaties liepen uiteen. Was dit een doordachte stap om Chinese exporteurs lucht te geven nu de groei afkoelde? Of was het echt een technische aanpassing, zoals Peking volhield? De reactie op internationale markten was paniek: aandelenbeurzen kelderden, grondstoffenprijzen zakten verder. Opkomende markten met grote dollarschulden zagen hun valuta mee omlaag gaan.

De episode toonde hoe gevoelig de wereld was geworden voor Chinese monetaire beslissingen. China was inmiddels zo groot dat een kleine ingreep van de PBoC wereldwijd doorklonk. En dat maakte elke stap van die centrale bank automatisch geopolitiek beladen.

De Fed als onbedoelde aggressor

Na de financiële crisis van 2008 voerde de Federal Reserve meerdere rondes van kwantitatieve versoepeling door. De bedoeling was de Amerikaanse economie te stimuleren. Het bijeffect was dat goedkoop dollars beschikbaar kwamen die op zoek gingen naar hogere rendementen, en dat die dollars massaal naar opkomende markten stroomden: Brazilië, Turkije, India, Indonesië.

Dat dreef de wisselkoersen van die landen omhoog en bemoeilijkte hun export. Toen de Fed in 2013 aankondigde het programma te gaan afbouwen (de zogeheten taper tantrum), sloeg het sentiment om en stroomde het kapitaal even snel terug. Wisselkoersen schommelden hevig. Braziliaanse en Indiase centrale banken moesten bijspringen om hun munten te stabiliseren.

De Fed had geen valutaoorlog bedoeld, maar andere landen ervoeren het zo. Dat is een cruciaal inzicht voor de mechaniek van valutaoorlogen: ze hoeven niet intentioneel te zijn om schade te veroorzaken. Groot monetair beleid heeft altijd grensoverschrijdende effecten.

Waarom het IMF en de G20 weinig kunnen uitrichten

In theorie verbiedt het IMF-verdrag competitieve devaluaties. De G20 herhaalt bij elk communiqué dat landen geen wisselkoersdoelen nastreven. In de praktijk is handhaving vrijwel onmogelijk.

Een centrale bank hoeft alleen maar te zeggen dat ze haar binnenlandse inflatiedoel najaagt of financiële stabiliteit nastreeft, en de internationale kritiek stuit op een muur van technische verdediging. Er bestaat geen objectieve grens waarbij beleid ’te veel’ muntverzwakking nastreeft. Het IMF kan landen aanspreken, rapporten schrijven en druk uitoefenen via consultaties, maar echte tanden ontbreken zolang grote landen niet bereid zijn hun monetaire soevereiniteit te beperken. En die bereidheid is er niet.

De structurele spanning

De kern van het probleem is eigenlijk heel eenvoudig: elke centrale bank heeft een nationaal mandaat (prijsstabiliteit, werkgelegenheid, soms groei) maar haar beslissingen hebben internationale gevolgen. Dat wringt, zeker in een wereld waar kapitaal in seconden over grenzen beweegt en wisselkoersen direct reageren op elke hint van beleidswijziging.

De lessen uit de drie historische momenten zijn helder. Ten eerste: gecoördineerde actie werkt, maar vereist politieke wil die tegenwoordig ontbreekt. Ten tweede: ambiguïteit is een wapen. Landen die hun munt bewust verzwakken, zullen dat nooit zo noemen. Ten derde: de grootste spelers (de Fed, de PBoC, de BoJ) hebben een verantwoordelijkheid die verder reikt dan hun eigen mandaat, maar worden daar nauwelijks op afgerekend.

Valutaoorlogen zijn daarmee een van de zeldzame domeinen waar grote economische macht bijna volledig zonder supranationale tegenmacht opereert. Dat maakt ze zo moeilijk te stoppen en zo makkelijk te beginnen.

Centrale banken voeren een valutaoorlog zelden met tromgeroffel. Ze draaien aan bestaande knoppen, benoemen doelen die volkomen legitiem klinken, en laten de wisselkoers het werk doen. De mechaniek is helder: een goedkopere munt levert een betere exportpositie op, maar brengt ook importinflatie en geopolitieke wrijving mee.

Wat de historische voorbeelden laten zien, is dat de scheidslijn tussen normaal monetair beleid en een valutaoorlog bewust vaag wordt gehouden. Zolang die grens onduidelijk is, kan een land de vruchten plukken van muntverzwakking zonder de diplomatieke rekening te betalen. Het IMF en de G20 hebben tot nu toe geen afdwingbaar kader weten te ontwikkelen dat daar verandering in brengt.

De volgende keer dat een centrale bank aankondigt haar inflatiedoel flexibeler te interpreteren, is het de moeite waard om te vragen wie daar precies beter van wordt.